Contrastmiddelen worden in de medische beeldvorming gebruikt om organen, bloedvaten of afwijkingen beter zichtbaar te maken. Sommige patiënten krijgen tijdens de toediening een warm gevoel, tintelingen of lichte misselijkheid. Dat zijn bekende en onschuldige effecten van contrastvloeistof’, legt dr. Michiel Beyens uit. ‘Maar ze worden soms ten onrechte geïnterpreteerd als een allergische reactie. Daardoor krijgen patiënten het label ‘contrastallergie’, terwijl dat vaak niets zegt over hun werkelijke risico.’
Oude ervaringen, nieuwe inzichten
Dat label kan grote gevolgen hebben. Veel patiënten die ooit een reactie hadden, vermijden daarna jarenlang onderzoeken met contrastmiddelen. ‘Vaak gaat het om ervaringen van twintig of dertig jaar geleden’, zegt Beyens. ‘In de jaren tachtig werden andere contrastmiddelen gebruikt, zogenaamde hoog-osmolaire producten. Die veroorzaakten veel vaker bijwerkingen dan de contrastmiddelen die we vandaag gebruiken.’
Een recente casus in het UZA illustreert hoe zo’n geschiedenis kan doorwerken. ‘Een patiënte van de dienst hematologie had dringend een PET-CT-scan nodig, maar vertelde dat ze allergisch was voor contrastvloeistof. In de jaren 1980 had ze twee ernstige reacties gehad en moest ze zelfs gereanimeerd worden.’
Toch besloot het team de situatie opnieuw te evalueren. ‘We beginnen altijd met een grondige anamnese’, zegt Beyens. ‘We proberen precies te reconstrueren wat er destijds is gebeurd: welke klachten waren er, hoe snel traden ze op en welk contrastmiddel werd gebruikt?’
Veel patiënten denken dat ze nooit meer een scan met contrast kunnen krijgen, maar in werkelijkheid is de kans groot dat er wél een veilig alternatief bestaat.
Stap voor stap testen
Na die analyse volgen, indien nodig, allergologische testen. Eerst gebeurt een huidtest met kleine hoeveelheden contrastmiddel. ‘Als die huidtest negatief is, kunnen we eventueel een provocatietest uitvoeren’, legt Beyens uit. ‘Daarbij krijgt de patiënt het contrastmiddel toegediend onder strikte medische controle.’
Bij de patiënte in kwestie werd die provocatietest gecombineerd met de geplande scan. Dat gebeurde in samenwerking met de dienst nucleaire geneeskunde. ‘De patiënte had dringend diagnostiek nodig en bovendien een verminderde nierfunctie’, zegt Beyens. ‘Daarom wilden we vermijden dat ze twee keer contrastvloeistof zou krijgen.’
De huidtest bleek negatief en ook tijdens de provocatietest trad er geen reactie op. De PET-CT scan kon probleemloos worden uitgevoerd. Voor de patiënte betekende dat een grote opluchting: ze kan voortaan opnieuw contrastmiddelen krijgen als dat medisch nodig is.
Hardnekkige mythes
Volgens Beyens bestaan er nog altijd verschillende hardnekkige misverstanden over contrastallergie. Een van de bekendste is dat jodium de oorzaak zou zijn van allergische reacties. ‘Dat klopt niet’, zegt hij. ‘Jodium is een element dat ook in voeding voorkomt, bijvoorbeeld in brood, zeevis of gejodeerd zout. We worden er dagelijks aan blootgesteld. Het kan dus geen allergeen zijn.’
Ook de vermeende link met schaaldierallergie is een mythe. ‘Die gedachte ontstond omdat schaaldieren jodium bevatten’, zegt Beyens. ‘Maar een schaaldierallergie wordt veroorzaakt door eiwitten in het dier, niet door jodium. Er is dus geen verband met contrastmiddelen.’
'Aan de hand van een huidtest met kleine hoeveelheden contrastmiddel gaan we na of de patiënt allergisch is.'
Minder medicatie, meer precisie
Uit voorzorg krijgen patiënten met een vermoeden van contrastallergie soms nog preventief cortisone vóór een scan. Volgens Beyens is dat niet altijd de beste oplossing. ‘Met cortisone kan je milde symptomen maskeren, zoals jeuk of netelroos. Maar levensbedreigende reacties, zoals anafylaxie, kan je er niet mee voorkomen. Daardoor ontstaat soms een vals gevoel van veiligheid.’
Een gerichte allergologische evaluatie is volgens hem vaak een betere aanpak. ‘In de meeste gevallen vinden we een contrastmiddel dat wél veilig kan worden gebruikt. Meer dan negentig procent van de patiënten kan uiteindelijk een of meerdere contrastmiddelen verdragen.’
Samenwerken voor veilige zorg
De aanpak vraagt een nauwe samenwerking tussen verschillende diensten. ‘De behandelende arts bepaalt of het onderzoek noodzakelijk is’, zegt Beyens. ‘Wij beoordelen het allergierisico en zoeken naar een veilige oplossing. Die multidisciplinaire samenwerking is essentieel.’
Ook voor de toekomst kan zo’n evaluatie belangrijk zijn. Als een patiënt toch een probleem blijkt te hebben met een bepaald contrastmiddel, krijgt hij of zij een allergiepas met duidelijke informatie over veilige alternatieven.
De belangrijkste boodschap volgens Beyens: een vroegere reactie betekent niet dat contrastmiddelen voorgoed uitgesloten zijn. ‘Veel patiënten denken dat ze nooit meer een scan met contrast kunnen krijgen’, zegt hij. ‘Maar in werkelijkheid is de kans groot dat er wél een veilig alternatief bestaat. En zonder contrastmiddel is diagnostiek soms minder nauwkeurig. Daarom is het belangrijk om dat zorgvuldig te onderzoeken.’
