1. Geen uitstel van ontlasting
Zo’n 40 procent van de patiënten ontwikkelt een ernstige vorm van LARS na het weghalen van de endeldarm: het Low Anterior Resection Syndrome. De klachten variëren maar in het algemeen betekent dit dat het heel moeilijk is om stoelgang op te houden. ‘Patiënten moeten naar het toilet rennen wanneer ze aandrang voelen. Dat kan tien tot twintig keer per dag gebeuren, soms ook ’s nachts’, vertelt studiecoördinator Lieselotte Iket. ‘Dat is heel zwaar, vooral als ze daardoor ook niet meer goed kunnen slapen.’
Specialisten weten dat er een aantal factoren zijn die het syndroom kunnen triggeren, zoals bestraling of chemotherapie. Maar toch blijven er nog veel factoren over het ontstaan en het verloop van het syndroom onbekend. Daarom proberen onderzoekers in de PROLARS-studie om alle data in kaart te brengen via vragenlijsten.
Nu is het vaak zo dat patiënten niet durven praten over wat ze juist ervaren. Het taboe is er zeker nog.
‘We volgen patiënten op vanaf de diagnose, dus nog voordat ze therapie of chirurgie hebben gehad. We vragen patiënten informatie over hoe hun stoelgang eruitziet en hoe vaak ze naar het toilet moeten’, vertelt Iket. Op cruciale momenten in het behandelingsproces vullen de deelnemers opnieuw de vragenlijsten in, zoals voor en na chemo- of radiotherapie en voor en na de operatie.
‘Omdat we ook de impact op levenskwaliteit na de behandeling in kaart willen brengen, volgen we patiënten vijf jaar op’, vertelt Iket. ‘Nu merken we vaak dat mensen niet durven praten over wat zij juist ervaren. Het taboe is er zeker nog. Wanneer ze de vragen thuis kunnen invullen, in hun vertrouwde omgeving, zijn patiënten misschien openhartiger en krijgen wij ook beter zicht op hoe de aandoening verloopt. Zo kunnen we patiënten in de toekomst voor hun ingreep nog beter informeren en ondersteunen.’
2. Stent vervangt stoma
De belangrijkste complicatie na een operatie aan de endeldarm is lekkage. Dat gebeurt wanneer de hechting in de darm – waar de tumor werd weggesneden – niet goed geneest. De ontlasting lekt dan naar buiten, wat heel nadelige gevolgen heeft. Nu plaatsen chirurgen standaard een tijdelijke stoma om dit te voorkomen: een kunstmatige opening in de buik, waarlangs de ontlasting naar buiten komt en opgevangen wordt in een zakje. Een stoma weegt vaak op de levenskwaliteit en heeft ook een grote psychosociale impact.
Al bijna tien jaar werkt het UZA mee aan onderzoek naar een alternatief: een stent. ‘Na het verwijderen van het aangetaste deel van de endeldarm en het hechten van de darmeinden, brengen we die stent in via een lange flexibele buis. Door middel van vacuüm blijft die op zijn plaats’, vertelt prof. dr. Niels Komen. Aan die stent hangt een plastieken buisje waardoor de stoelgang naar buiten kan via de anus. ‘Die omleiding van de ontlasting levert voor de patiënt enorme voordelen op, want ze zitten niet meer met een zakje buiten hun lichaam. Tegelijk zijn ze tijdens het genezingsproces beschermd tegen lekkage. Er is ook geen extra operatie nodig om de stent te verwijderen.’
Onlangs implanteerde het team van abdominale heelkunde voor het eerst succesvol een stent bij een patiënt buiten studieverband. Door haar medische voorgeschiedenis kon de patiënte niet deelnemen aan de studie, maar ze liep wel een verhoogd risico op lekkage. ‘In Europa is de stent commercieel verkrijgbaar, maar voorlopig wordt het hulpmiddel nog niet terugbetaald. Binnen de studie is de stent kosteloos voor de patiënt.’
3. Van biopsie tot micro-tumor
Een andere studie vindt plaats in het lab van het UZA. Specialisten nemen een biopsie van een tumor en proberen die te laten uitgroeien tot een organoïde: een microtumor. Daar zouden ze chemotherapie en radiotherapie op kunnen testen. Ook voor de behandeling van endeldarmkanker kijken ze in die richting. ‘In de toekomst hopen we om zo een heel persoonlijke keuze te kunnen maken over welke therapie het beste is voor welke patiënt. Maar niet voor alle tumoren is de slaagkans even groot. We hebben nu eerst verder onderzoek nodig vooraleer we hierop kunnen steunen’, aldus prof. dr. Hans Prenen.


