Een zeventiger uit Schoten, laten we hem Karel noemen (*), zakt thuis plots door zijn knie. Zijn vrouw vraagt bezorgd wat er scheelt, maar haar man lijkt haar niet te begrijpen. De vrouw belt in allerijl de 112. De ambulancier stelt een halfzijdige verlamming vast en contacteert onmiddellijk de spoedafdeling van AZ Klina in Brasschaat. Bij aankomst in het ziekenhuis worden de neurologen, het intern transport en de CT-afdeling van de dienst radiologie via een alarmknop verwittigd: zo weten ze dat er een patiënt met een vermoeden van een beroerte in aantocht is.
‘Dankzij het nieuwe protocol dat we vorig jaar invoerden, winnen we cruciale tijd. Idealiter krijgen patiënten binnen het kwartier een scan en ondergaan ze, als ze daarvoor in aanmerking komen, binnen het halfuur een behandeling’, zegt dr. Niels Fockaert, diensthoofd neurologie van AZ Klina.
De scan bevestigt dat Karel een beroerte heeft: de neuroloog ziet een grote bloedklonter in de rechterhersenhelft. Hij krijgt meteen een trombolyse, een behandeling waarbij geprobeerd wordt de bloedklonter met medicatie op te lossen. Maar zal dat volstaan? Fockaert: ‘Een andere behandeling, waarvoor zowat een op de vijf patiënten in aanmerking komt, is een trombectomie: de bloedklonter wordt dan mechanisch verwijderd met een stent of katheter. Daarvoor brengen we de patiënt over naar het UZA.’ De zorg voor beroertepatiënten is in België verdeeld over S1- en S2-centra: de eerste bieden basiszorg aan, de tweede – waaronder het UZA - ook gespecialiseerde behandelingen.
(*) We schetsen het traject van een fictieve patiënt.



