Vriendinnetjes en ziekenhuizen

Het liefst van al reed ik ze overal naartoe, mijn jongetjes. Ik zeg jongetjes, ze zijn 12 en 14 en hele jongens dus, maar voor een moeder blijven jongens altijd jongetjes. En ze zijn ook écht lief daarenboven. Het liefst van al reed ik die grote jongetjes dus overal naartoe: naar school en weer terug en naar sportclubs en voordracht en drama en vrienden. Als je zelf rijdt, weet je dat ze goed zijn aangekomen. Ik doe het niet, dat rondrijden, want ik heb daar geen tijd voor. Het is ook niet gezond en ze zouden het nooit schoppen tot de zelfstandige mannen die ik ze graag zie worden. Dus fietsen mijn zonen.

Wij wonen midden in Antwerpen en ik kan niet klagen over het verkeersbeleid: als je een beetje puzzelt, hoef je nergens over de kasseien te fietsen en ook nooit zonder fietspad. Toch ben ik elke dag, echt élke dag, blij als ik ze 's avonds zie thuiskomen. Oef. Niks gebeurd. Gelukkig. Dat is geen dwaze gedachte, want veilig of niet, in de klas van mijn oudste zijn vorig schooljaar twéé jongens - nee, ook jongetjés, ook lief - op weg naar school door een auto aangereden. Eén zonder veel erg, één met een schedelbreuk. Mijn hart breekt mee dan, ook als het andermans kinderen overkomt. Ik laat ze wel van jongsaf voor me uit fietsen en ze kennen de regels, maar ja, het zijn kinderen en jongens daarenboven. Die trappen door, die willen laat vertrekken en vroeg aankomen, die komen maten tegen en die fietsen naast elkaar en buiten de lijnen, die kunnen niet altijd aan regels denken. Maar ik denk wél altijd aan hén, als ze alleen op pad zijn, en soms durf ik het vragen: 'Zal ik je een keertje brengen?'

Ze zeggen alléén ja als het pijpenstelen regent. En dan nog. Ze willen zélf beslissen of ze nat worden of niet. Groot worden, heet dat. En loslaten, van mijn kant, voortdurend afwegen wat opweegt tegen wat: veiligheid tegen zelfstandigheid, en in naam van dat laatste je eigen angst onderdrukken. Wat gebeurt, gebeurt toch, of je nu naast hen blijft lopen of niet. Laatst is mijn oudste omvergereden, op weg van school naar huis. Hij kwam van een pleintje de straat op en een wagen had hem niet gezien. Ik zat op mijn werk en wist van niks, dus dit heb ik van horen vertellen: chauffeur is gestopt, heeft gevraagd of hij naar het ziekenhuis zou gaan met mijn zoon. Zoon zei nee, had een vriendinnetje mee en met haar en zijn kapotte fiets zijn ze naar de dichtstbijzijnde spoedafdeling gestapt. Zoon hélemaal doorgelicht. Niks ergs. Toen naar huis gelopen. Thuis zijn gsm genomen en gebeld: 'Mama, ik ben omvergereden'. Eerst stond mijn hart stil. Toen dacht ik: kijk nu, mamie hoeft er helemaal niet naast te lopen, hij weet perfect wat te doen zonder mij. Er zijn vriendinnetjes, en ziekenhuizen. Zo trots op mijn jongen. Nee, jongetjé.

 

Annemie Peeters

Bron: maguza.be