Hiv, valt wel mee?

Nog altijd raken in België dagelijks drie mensen besmet met hiv. Dr. Eric Florence van de dienst tropische geneeskunde houdt zes veel gehoorde uitspraken tegen het licht: feiten of fabels?

Hiv is goed te behandelen, dus waarom nog veilig vrijen? Een gevaarlijke redenering die allicht mee verklaart waarom het aantal besmettingen in ons land sinds 1997 bijna elk jaar opnieuw stijgt. 'Mensen lijken minder bang voor hiv, maar als patiënten de diagnose krijgen, stort dikwijls hun wereld in elkaar', zegt Florence. Een hiv-infectie kun je vandaag beschouwen als een chronische ziekte, maar dan nog zijn de gevolgen niet te onderschatten. De patiënten moeten zich levenslang laten behandelen en regelmatig medische controles ondergaan. Velen ervaren hun hiv-status ook als een zwaar stigma. Dr. Florence zet een en ander voor ons op een rijtje.

1. Veilig vrijen blijft de beste manier om je te beschermen tegen hiv.
Feit. Wie niet in een vaste relatie zit, gebruikt het best een condoom om besmetting te voorkomen. Een condoom beschermt ook tegen andere seksueel overdraagbare aandoeningen, die overigens het doorgeven van hiv in de hand werken. Partners in een langdurige relatie van wie een van beiden hiv heeft, kunnen onder bepaalde voorwaarden en in overleg met hun arts zonder condoom vrijen. Dat geldt echter absoluut niet voor wie wisselende seksuele partners heeft.

2. Besmettingen komen bijna alleen voor bij homoseksuelen en mensen uit zwart Afrika.
Fabel. Hiv-besmettingen komen in ons land weliswaar het vaakst voor bij homoseksuelen en personen uit zwart Afrika: in 58 % van de gevallen wordt de diagnose gesteld bij iemand uit een van beide groepen. Dat betekent echter dat nog altijd 42 % van de besmettingen bij andere bevolkingsgroepen plaatsvindt. Wie wisselende seksuele contacten heeft, moet dus hoe dan ook voorzorgen nemen.

3. Het is nooit te laat om je te laten testen en behandelen.
Feit. Ook personen die hun besmetting jaren geleden opliepen, zijn nog altijd goed te behandelen. Zeker als er nog geen symptomen zijn, is het virus goed onder controle te krijgen met virusremmers. De kansen liggen minder goed als de patiënt aids heeft ontwikkeld, het eigenlijke ziektestadium. Dan wordt de behandeling moeilijker en volgen vaak lange ziekenhuisopnames elkaar op. In de praktijk komt dat echter nog zelden voor.

4. Hiv-patiënten moeten dagelijks tientallen pillen slikken en ondervinden zware nevenwerkingen.
Fabel. Vroeger moesten patiënten een hele reeks pillen per dag slikken. De medicatie had toen ook zware nevenwerkingen, zoals misselijkheid, diarree en buikpijn en – op langere termijn – vetophoping rond de buik en vetverlies in het gezicht. Met de huidige medicijnen hebben de meeste patiënten minder last van nevenwerkingen en meestal zijn ze van voorbijgaande aard. Patiënten slikken ook nog maar enkele pillen per dag, soms zelfs maar één, afhankelijk van hun dagritme, bijkomende medische problemen en de andere geneesmiddelen die ze nemen.

5. Als een patiënt zijn behandeling in de wind slaat, riskeert hij dat de medicatie niet meer werkt.
Feit. De virusremmers werken normaal bij alle hiv-patiënten, maar patiënten moeten hun medicatie wel elke dag trouw blijven nemen. Zo niet riskeren ze dat het virus resistent wordt tegen de geneesmiddelen en dan kan het opnieuw de overhand krijgen. Wie zijn medicatie zoals voorgeschreven neemt, kan die normaal veel jaren probleemloos blijven nemen.

6. Hiv-patiënten kunnen niet oud worden.
Fabel. Hiv-positieve personen die hun medicatie nauwgezet nemen en zich goed laten opvolgen, hebben een quasi normale levensverwachting. Wel is geweten dat hiv in combinatie met andere risicofactoren – bijvoorbeeld overgewicht, roken of druggebruik – de kans op vroegtijdig overlijden sterk doet stijgen. Er is dan sprake van een cumulatief effect, waardoor de gevolgen zwaarder zijn dan bij een ander persoon.

Info: dienst tropische geneeskunde, T 03 821 51 59, www.sensoa.be


Bron: maguza.be