In bange verwachting

Vrouwen wiens zwangerschap niet goed verloopt, kunnen terecht in de maternal intensive care (MIC) van het UZA. Soms loopt er iets fout door problemen bij de moeder, soms blijkt de ongeboren baby niet helemaal gezond. Ingrijpen is dan onvermijdelijk, als het moet in de baarmoeder zelf.

Als gespecialiseerd centrum krijgt het UZA veel zwangere vrouwen doorverwezen vanuit andere ziekenhuizen. ‘De meesten volgen we tijdens hun zwangerschap, waarna ze soms alsnog in hun eigen ziekenhuis bevallen. Anderen komen hier pas na de bevalling omdat zijzelf of hun baby risico lopen.’, zegt prof. dr. Yves Jacquemyn, diensthoofd gynaecologie in het UZA.

Nogal wat vrouwen belanden in het UZA vanwege een dreigende vroeggeboorte. Die kondigt zich meestal aan via vroegtijdige weeën. ‘Met weeënremmers kunnen we de zwangerschap vaak nog rekken’, zegt Jacquemyn. ‘Zelfs met een paar dagen win je al veel, omdat je de baby dan via de moeder medicatie kan toedienen die de rijping van de longen en de hersenen bevordert. Sinds kort dienen we ook magnesium toe, omdat dat de kans op hersenproblemen beperkt.’

Toch is het niet altijd verstandig om de bevalling kunstmatig uit te stellen. Jacquemyn: ‘In bepaalde gevallen heeft de natuur een goede reden om het kind vroeger ter wereld te laten komen, bijvoorbeeld omdat de moederkoek niet meer goed werkt. Dan moet je afwegen wat het minst nadelig is voor de baby: een vroeggeboorte of een verblijf in een omgeving met weinig zuurstof en voeding.’

Kleine baby, grote problemen

Een ander probleem is een te zwakke baarmoederhals, die tot vroegtijdige ontsluiting leidt. Soms volstaat dan medicatie, in andere gevallen wordt een cerclage uitgevoerd: er wordt dan een bandje aangebracht dat de baarmoederhals gesloten houdt. De moeder moet dan bevallen met een keizersnede, maar kan haar zwangerschap verder uitdragen. Het UZA was het eerste Belgische ziekenhuis waar die ingreep ook laparoscopisch, via een kijkbuisje in de buik, werd uitgevoerd. Dat gebeurt als de ingreep niet langs vaginale weg mogelijk is door vroegere operaties.

Een ander relatief frequent probleem is preëclampsie of zwangerschapsvergiftiging, waarbij de zwangere vrouw een hoge bloeddruk ontwikkelt. ‘Zwangerschapsvergiftiging is een levensbedreigend probleem: het is een van de belangrijkste oorzaken van overlijden tijdens de zwangerschap in West-Europa. Meestal proberen we de zwangerschap nog te rekken. Dat vraagt om heel intensieve bewaking en behandeling met medicatie die rechtstreeks in de bloedbaan wordt gegeven. Maar vaak zit er niets anders op dan de bevalling vroegtijdig op gang te brengen.’

Ook als de baby een groeiachterstand heeft, gaat er een alarmbelletje rinkelen. Er kan dan sprake zijn van een chromosomale afwijking, maar de oorzaak kan ook bij de moeder liggen. Verstopping of aantasting van de bloedvaten door diabetes kan ertoe leiden dat de moederkoek niet naar behoren functioneert. Ook dat probleem vraagt om een behandeling met medicijnen. ‘Daarvoor zijn we de mosterd gaan halen bij de cardiologen. We geven dan medicatie die de bloedvaten openzet, dezelfde als die aan patiënten met doorbloedingsproblemen van het hart wordt gegeven.’

Foetus als patiënt

Minder vaak is niet de moeder maar de ongeboren baby de eigenlijke patiënt. ‘Om te beginnen kunnen we heel wat onderzoeken doen om de toestand van de baby in te schatten’, legt Jacquemyn. uit ‘Er zijn de bekende tripletest, echografie, vruchtwaterpunctie en vlokkentest. Daarnaast kun je bijvoorbeeld ook via een bloedonderzoek bij de moeder de bloedgroep van de baby bepalen. Dat is onder meer nodig als de moeder een negatieve resusfactor heeft.’

Naast de standaard echografie maakt het UZA ook gebruik van 3D-echografie. Daarmee krijg je een waarheidsgetrouwer beeld van de baby. ‘Die techniek schakelen we bijvoorbeeld in als het kindje een gelaatsafwijking heeft’, stipt Jacquemyn aan. ‘Niet alleen worden de ouders zo beter voorbereid, dankzij die techniek kunnen we ook al voor de geboorte een behandeling uitstippelen. Soms ligt de dag van de operatie al vast lang voor de geboorte.’ Een enkele keer wordt ook een MRI genomen, een techniek die gebruik maakt van magnetische resonantie. Dat gebeurt meestal om een beter beeld van de hersenen te krijgen.

Behandelen in de buik

Een stap verder is de baby behandelen terwijl hij nog in de buik zit. Zo is er wekelijks een raadpleging prenatale kindercardiologie. De kindercardioloog kan bijvoorbeeld medicatie voorschrijven als het kindje aan hartritmestoornissen lijdt. ‘Het gebeurt ook dat een kindje aan dezelfde aandoening blijkt te lijden als de moeder, bijvoorbeeld een stofwisselingsziekte. In dat geval kan het nodig zijn al meteen met medicatie te starten, om het kind de beste ontwikkeling te garanderen.’ Meer klassieke problemen zijn een toxoplasmose- of CMV-infectie bij de moeder. Als het kind de infectie heeft overgenomen, wordt het via de moeder met medicatie behandeld.

Heel uitzonderlijk is het nodig om in de baarmoeder in te grijpen. Als bijvoorbeeld blijkt dat de afvoer van de urineblaas bij de baby verstopt is, wordt een klein slangetje – een zogenaamde shunt - tot in de blaas gebracht waarlangs de urine weg kan. Zonder die ingreep raken de nieren van het kind beschadigd. Ook als er te veel vocht naast de longen zit, wordt een shunt aangebracht om dat te verwijderen. Ten slotte is ingrijpen ook nodig als de moeder vroeg in de zwangerschap met vruchtwaterverlies kampt (zie kaderstuk ‘Vruchtwater bijtanken’).

‘Bij dat soort ingrepen maken we in de vliezen en de baarmoeder een opening van zo’n twee tot drie millimeter’, preciseert prof. dr. Jacquemyn. ‘De kans dat het fout loopt, bedraagt maximaal 1 procent. In die zin houdt zo’n ingreep nauwelijks meer risico’s in dan een vruchtwaterpunctie.’


Info: dienst gynaecologie UZA, T 03 821 39 05

 

Vruchtwater bijtanken

Als moeders al voor 24 weken zwangerschap vruchtwater verliezen, kon daar tot voor kort weinig aan worden gedaan. Naast het gevaar op een vroegtijdige bevalling, is er dan een groot risico dat de longen en ledematen van het kindje zich slecht ontwikkelen. ‘Sinds kort kunnen we die laatste problemen gedeeltelijk opvangen. Met een fijn naaldje injecteren we een of twee keer per week fysiologisch water in de baarmoeder. Dankzij die techniek, amnioinfusie genoemd, ontwikkelt de foetus zich beter’, zegt prof. dr. Yves Jacquemyn. Later in de zwangerschap is vruchtwaterverlies minder problematisch omdat de longen van de foetus dan al ontwikkeld zijn. Omdat bij vroegtijdig breken van de vliezen ook altijd infectiegevaar dreigt, krijgt de aanstaande moeder ook antibiotica en worden zij en de baby nauwgezet gevolgd.

De vrouw achter de patiënt

Temidden van alle technisch vernuft is er altijd oog voor de vrouw achter de patiënt én voor haar familie. ‘Machines bewaken, mensen begeleiden’, beklemtoont prof. dr. Jacquemyn. Vrouwen die wegens een hoogrisicozwangerschap in het UZA worden opgenomen, krijgen een aantal vaste vroedvrouwen toegewezen. Ze kunnen terecht bij een psychologe (zie p. xxx), een maatschappelijk werker, een sociaal verpleegkundige en een intercultureel bemiddelaar.
‘We proberen de patiënt ook voor te bereiden op wat komen gaat’, vervolgt Jacquemyn. ‘Indien nodig komt een kinderarts, kindercardioloog of andere specialist uitleggen wat de aandoening van hun kindje precies inhoudt. Verwachten we een vroeggeboorte, dan nemen we de ouders vooraf mee naar de afdeling intensieve neonatale zorg. Zo zijn ze naderhand minder overdonderd en kunnen ze zich concentreren op hun baby.’

Bron: maguza.be