Het ziekenhuis als leerschool

In het UZA worden niet alleen patiënten behandeld, er worden ook tal van mensen opgeleid. Zo zijn er permanent 200 specialisten in opleiding actief en doen tot 80 verpleegkundestudenten tegelijk stage. Ook dat verloopt in alle veiligheid.

Kristof Hendrickx is hoofdverpleegkundige en stagecoördinator voor de verpleegkundige stages. Prof. dr. Wilfried De Backer is diensthoofd pneumologie en stagemeester.

In het UZA doen tal van beroepsgroepen stage, maar de grootste groep zijn de toekomstige artsen en specialisten. Welke rol speelt het UZA in hun opleiding?
De Backer: ‘In het UZA doen studenten geneeskunde uit alle jaren stage, maar heel opvallend is vooral het grote aantal arts-specialisten in opleiding. Dat zijn artsen die na zeven jaar geneeskunde verder specialiseren. Hun programma bestaat uit lesmodules aan de universiteit, gecombineerd met vijf of zes jaar praktijkervaring binnen hun specialisme. Daardoor zijn hier permanent zo’n 200 arts-specialisten in opleiding – ook wel assistenten genoemd – aan de slag. Het UZA vangt ongeveer de helft van de UA-artsen die willen specialiseren op. Dat is een pak meer dan de andere ziekenhuizen in de omgeving.’

De tweede grootste groep zijn de studenten verpleegkunde. Met hoeveel zijn zij?
Hendrickx: ‘Elke dag zijn er op de gemiddelde verpleegafdeling een drietal studenten verpleegkunde actief. We hebben 84 plaatsen beschikbaar voor stagiairs. Daarnaast is er het systeem van werkplekleren: dan neemt een tiental studenten gedurende tien weken een deel van een afdeling over, natuurlijk onder begeleiding. Dat doen we nu al zo’n vier jaar, in vier afdelingen en met groot succes.’

Vanwaar de aantrekkingskracht van een universitair ziekenhuis?
Hendrickx: ‘In een universitair ziekenhuis zijn er nu eenmaal meer leermogelijkheden. Wij hebben in elk geval meer aanvragen dan er plaatsen zijn.’
De Backer: ‘Wie wil specialiseren, is natuurlijk geïnteresseerd in de topklinische zorg van een universitair ziekenhuis. De wetgeving verandert echter binnenkort en zal opleggen dat minstens een derde van de opleiding in een algemeen ziekenhuis gebeurt. Zo krijgen assistenten een zo ruim mogelijk beeld van hun specialisme. In een universitair ziekenhuis krijg je immers vooral de complexe dingen te zien.’

Hoe worden die assistenten en studenten begeleid in het UZA?
Hendrickx: ‘Een groot aantal UZA-verpleegkundigen heeft een opleiding tot mentor klinisch onderwijs gevolgd of is bezig die te volgen. Zij begeleiden stagiairs en ook nieuwe medewerkers. Dat systeem bestaat al tien jaar. Toen waren we met 60, nu al met bijna 130.’
De Backer: ‘Wat de artsen betreft heeft elke afdeling een stagemeester die verantwoordelijk is voor de assistenten. Zij draaien mee op de diensten, doen consultaties, voeren technieken uit, doen operaties … Natuurlijk gebeurt dat stap voor stap en altijd onder supervisie van een staflid. De stagemeester evalueert de arts-assistenten in opleiding, op hun prestaties als medicus, wetenschapper, communicator en manager. De begeleiding is de laatste jaren enorm geprofessionaliseerd en gestructureerd. Dat vraagt natuurlijk een steeds grotere inspanning van het medisch personeel.’

Het UZA doet grote inspanningen voor de opleiding van artsen en verpleegkundigen. Een maatschappelijke taak?
De Backer: ‘Zeker, al zouden we die taak liever beter verdeeld zien over alle ziekenhuizen. Het gaat uiteindelijk om de continuïteit van de zorg: de kennis die er is, moet worden doorgegeven. Zeker bij complexe, nieuwe technieken is het belangrijk om voldoende artsen op te leiden. Om die reden organiseren wij ook symposia en dergelijke, want artsen zijn verplicht om heel hun loopbaan lang te blijven bijleren. Naar mijn gevoel krijgen we voor onze inspanningen op het vlak van opleiding echter niet de maatschappelijke waardering die we verdienen. Uiteindelijk steken wij daar als ziekenhuis enorm veel tijd in, zonder veel financiering.’

Arts-specialisten in opleiding worden ook betaald voor het werk dat ze doen?
De Backer: ‘Inderdaad, het zijn uiteindelijk gediplomeerde artsen. Momenteel worden zij betaald door de diensten van het ziekenhuis. Ook dat gaat echter veranderen: om ziekenhuizen te stimuleren om assistenten aan te nemen zal de ziekteverzekering een groot deel van de kosten op zich nemen. Er dreigt immers een groot tekort aan stageplaatsen. De artsenopleiding wordt met een jaar ingekort, waardoor er in 2018 twee jaren ineens afstuderen en er dus ook veel meer plaatsen nodig zijn. Maar ook de jaren nadien blijft de vraag stijgen: tegen 2020 zijn er 1000 nieuwe opleidingsplaatsen nodig. En de universitaire ziekenhuizen doen al wat ze kunnen.

Ook het aantal stageplaatsen voor verpleegkundigen moet stijgen?
Hendrickx: ‘De opleiding verpleegkunde wordt verlengd van drie tot vier jaar, met veel meer uren stage. Nu moeten de studenten minstens 1500 uren stage doen op drie jaar. Dat stijgt tot 2300 uur in totaal. Wij willen alvast het aantal stageplaatsen uitbreiden naar 100 en ook het werkplekleren willen we verder uitbreiden. Door de hervorming studeren er in het academiejaar 2018-19 ook geen studenten verpleegkunde af. Hoe meer studenten we laten kennismaken met het UZA, hoe meer we er ook kunnen aanwerven.’

Is dat het grote voordeel, dat het UZA die toekomstige verpleegkundigen en artsen dan ook makkelijker kan aanwerven?
Hendrickx: ‘Zeker. We verzorgen onze stagiairs dan ook goed. We houden bijvoorbeeld studentenlunches om te horen wat ze van het UZA vinden. Zeker dat jaar dat er niemand afstudeert, zullen we moeten opvangen. Zo leggen we nu al een databank aan van studenten die een positieve stage hebben gelopen, zodat we hen vroegtijdig kunnen contacteren voor een sollicitatiegesprek. Nog een voordeel is dat studenten je jong houden. Ze stellen alles in vraag en leren op school soms nieuwe dingen die wij nog niet kennen.’
De Backer: ‘Er studeren natuurlijk meer artsen af dan wij kunnen aannemen, maar we kunnen wel een selectie doen en de meest gemotiveerde artsen, met een wetenschappelijke interesse, een voorstel doen. Die mensen zijn ook al ingewerkt en weten of ze zich hier goed voelen. De kans dat ze na korte tijd weer weggaan is kleiner. Je weet vooraf dat ze gaan passen in de filosofie van de dienst.’
Hendrickx: ‘Diezelfde ervaring hebben wij met het werkplekleren: uiteindelijk hebben die studenten kort voor hun afstuderen tien weken volop meegedraaid op een afdeling.’

Hoe reageren patiënten op assistenten en studenten?
De Backer: ‘Verbazend genoeg hebben patiënten er weinig moeite mee. Nochtans is de arts-patiëntrelatie gestoeld op discretie en continuïteit en dat is wat moeilijker als de patiënt door verschillende artsen wordt gezien. Maar vaak waarderen patiënten juist dat er verschillende mensen nadenken over hun probleem.’
Hendrickx: ‘Wij benadrukken wel altijd dat iedereen zich duidelijk moet voorstellen, zodat patiënten weten dat ze met een student te maken hebben. Als een student een techniek gaat doen, vragen we ook het akkoord van de patiënten. Over het algemeen is er veel begrip.’

Kunnen patiënten gerust zijn als ze worden behandeld of verzorgd door een stagiair of assistent?
De Backer: ‘Zeker. Dankzij ons goede supervisiesysteem is veiligheid zelfs geen issue. Een patiënt zal nooit een risico lopen als gevolg van een opleiding. Een assistent voert een techniek pas autonoom uit als hij of zij onder supervisie voldoende heeft bewezen dat hij het kan. Het hele luik opleiding is overigens mee doorgelicht voor het kwaliteitslabel JCI dat we vorig jaar hebben behaald.’

Bron: maguza.be