Gelukkig zijn ... - door Katty Allaert

Elke week interview ik gemiddeld tien mensen. Vaak meer, een enkele keer minder. Snel omgerekend zijn dat er tientallen per maand, enkele honderden per jaar. De overgrote meerderheid vergeet ik. Namen, gezichten, stemmen zijn uitgewist. Maar af en toe passeert iemand de revue waarvan ik me jaren later nog moeiteloos naam, gezicht en stem herinner. Stef was zo iemand: een veertiger en al jaren psychiatrisch patiënt. Hij zou voor ons getuigen over zijn terugkerende psychoses; erg moedig vonden wij. We hadden vooraf enkele keren gebeld om hem op zijn gemak te stellen. En om hem duidelijk te maken dat hij op elk ogenblik neen kon zeggen. Maar hij was ervan overtuigd dat het taboe op psychiatrische aandoeningen doorbroken moet worden. Wie geeft hem ongelijk?

Een vrij grote, zware man deed voor ons de deur open. In zijn ogen waren de sporen te zien van antidepressiva en antipsychotica. Hij had koffie voor ons gemaakt en wou zijn verhaal doen, onder de parasol in de tuin. Stef was ooit een beloftevolle jongeman, burgerlijk ingenieur. Getrouwd, vier kinderen. Zijn werkgever vroeg hem om een project te leiden in Honduras. Het gezin verhuisde naar de andere kant van de wereld. Het project werd een succes, tot Stef betrokken raakte bij een zwaar verkeersongeluk en in een Hondurese gevangenis belandde. Daar werd hij gemarteld en ‘wreed behandeld’ zoals hij omschreef.

Kort daarna keert het gezin naar België terug en krijgt Stef zijn eerste psychose. Er zullen er nog vele volgen. Hij vertelt over wanen en stemmen in zijn hoofd, telkens gevolgd door langdurige zware depressies. Hij vertelt over zijn opnames in de psychiatrie. Tien jaar later zit Stef thuis, werken kan hij niet meer, van een carrière is geen sprake meer. Zijn vrouw is – zelf uitgeput – met de kinderen weggegaan. Zijn leven speelt zich nu af binnen de grenzen van zijn bescheiden woonkamer, met een bescheiden uitkering. Tijdens het interview weent hij, als hij terugdenkt aan de Hondurese gevangenis of aan die ene psychiatrische instelling die hem nog altijd trauma’s bezorgt. Hoe kan die man hiermee door het leven, flitst het door mijn hoofd. Met heel veel schroom vraag ik het hem aan het einde van het gesprek: ‘Ervaar jij nog geluk, Stef?’. Zonder aarzelen antwoordt hij: ‘Ik ben gelukkig’. Na zoveel verlies, ondanks alles … Ik word er opnieuw stil van.

Bron: maguza.be