Terug uit tsunamikamp in Sri Lanka

Alweer meer dan twee jaar geleden, in december 2004, trof een desastreuze vloedgolf honderdduizenden mensen in 13 landen rond de Indische Oceaan. De ramp kreeg heel wat aandacht in de media en bracht een nooit eerder geziene internationale hulpstroom op gang. Maar hoe is het nu gesteld met de slachtoffers die aan het noodlot ontsnapt zijn en wat met de wederopbouw van het getroffen gebied? Walter Geentjens, hoofdverpleegkundige van de dienst spoedgevallen in het UZA, werkte vorig jaar in mei en juni mee aan een project in vluchtelingkampen in Sri Lanka en deed ons zijn relaas.

Als verpleegkundige nam Walter Geentjens al tweemaal deel aan een noodhulpmissie o.l.v. UZA-arts Luc Beaucourt: in 2003 na de aardbeving in Iran en in 2004 na de tsunami in Thailand. Toen de tijdelijke organisatie 'Non-Profit Belgium' in 2005 een oproep in de media lanceerde naar zorgverleners voor een project in Sri Lanka, aarzelde Geentjens geen seconde. 'Het ging om een langdurige missie die liep van augustus 2005 tot juni 2006 in de regio van Matara, in het zuiden van Sri Lanka. Belgische teams van 6 ŗ 7 zorgverleners wisselden elkaar tweemaandelijks af om directe medische hulp te verstrekken in de vluchtelingkampen. Terwijl de kampen in de zomer van 2005 nog overbevolkt waren, trof ons team restanten van nooddorpen aan waar in sommige gevallen nog een 20-tal mensen verbleven. Vaak ging het om tsunamislachtoffers die niet verzekerd waren en geen aanspraak konden maken op een schadevergoeding. Vissers die hun boten verloren hadden, waren van de ene op de andere dag werkloos geworden en zochten hun heil in de kampen.'



Witte dokters

Het team van Walter Geentjens telde 4 verpleegkundigen, 1 arts, 1 opvoeder en 2 psychologen. 'De acties in de vluchtelingenkampen werden lokaal gecoŲrdineerd door Kumari Kulatunga, een welstellende en ongelooflijk actieve vrouw die na de ramp besloten had haar werk volledig in het teken te stellen van de tsunamislachtoffers met bijzondere aandacht voor vrouw en kind. Het werk van het team bestond erin om tijdens wekelijkse consultaties de basisgezondheidszorg te garanderen. De nooddorpen waren vrij goed georganiseerd en de mensen kampten niet zozeer met ernstige ziektebeelden, wel met hygiŽnische problemen zoals geÔnfecteerde insectenbeten, kinderziektes, gebrekkige of onevenwichtige voeding en een tekort aan medicatie. PatiŽnten keken wel verrast op toen die "witte dokters" hun geÔnfecteerde ledematen durfden vastnemen. Lokale artsen raken hun patiŽnten immers weinig of niet aan om de diagnose te stellen. Dergelijke ervaringen en het feit dat je met weinig middelen veel kunt bereiken schenkt je als westerling enorm veel voldoening.'

Onverwerkt leed

Het Belgische team werkte ook af en toe samen met het regionale ziekenhuis dat zo'n 1200 bedden telde en vrij goed georganiseerd was. Na de ramp hadden verschillende ngo's de infrastructuur grotendeels vernieuwd. Het voornaamste probleem was echter dat maatschappelijk werkers er onbestaande waren en er geen psychologische begeleiding voorhanden was. 'Niet zozeer de fysieke gezondheid dan wel de psychologische verwerking van de ramp bleek een probleem. In onze gesprekken met mensen peilden we steeds naar hun betrokkenheid bij de ramp en vroegen we of ze familieleden verloren hadden. We verwezen slachtoffers steevast door naar onze psychologen die hen via lokale tolken, meestal vrouwelijke studenten, verder begeleidden. In hun consultaties stootten de psychologen soms op cultuurverschillen die het gesprek bemoeilijkten. Het overgrote deel van de bevolking is boeddhistisch en zeer gelaten. Als antwoord op problemen nemen ze vaak hun toevlucht tot alcohol maar dat onderwerp durven de vrouwelijke tolken niet aansnijden. Hetzelfde geldt trouwens voor seksueel overdraagbare aandoeningen. We stelden ook een groot verschil vast in houding tussen de mannen die vanuit een machogedrag vaak de psychologische impact van de ramp ontkenden en vrouwen die hun laatste cent uitgaven aan een bus om een psycholoog te raadplegen.' Behalve individuele consultaties brachten de psychologen leerkrachten ook bij hoe ze een posttraumatisch stress-syndroom bij kinderen konden herkennen. 'Hoewel het Belgische project teneinde is, werken twee studenten psychologie ter plaatse verder en hopen we er op termijn binnen de plaatselijke opleiding verpleegkunde een training tot maatschappelijk werker te integreren.'

© magUZA, informatiemagazine van het Universitair Ziekenhuis Anwerpen, Wilrijkstraat 10, 2650 Edegem, juli 2008
Alle teksten en foto's op deze website mogen op geen enkele wijze worden overgenomen of verspreid zonder uitdrukkelijke toestemming van het Universitair Ziekenhuis Antwerpen. Bij reproductie van of verwijzing naar een tekst op deze website, dient steeds de bron vermeld te worden.